Kijken met de pen
Lijst met albums
Brandtoerisme

Brandtoerisme

Zondagavond. Het is net acht uur geweest. Ik loop naar de groenbak om wat tuinafval weg te gooien. Het oog gaat bijna automatisch naar boven. Het ziet wat ik eigenlijk niet wil geloven. Dikke zwarte roetwolken worden met grote kracht over het plein gejaagd. Ze komen vanachter de huizen aan de zijkant. Brand. Heel dicht bij huis.

Van binnen knijpt iets dicht: geen pand waar mensen in zijn, alsjeblieft. Ik moet dat zeker weten. Een beetje bibberig loop ik over het talud naar de angstige onzekerheid toe. Ik word bijna omvergereden door een groep jongeren op motoren die in razende vaart voortjagen over deze sluiproute via het groen. Mijn verbazing stijgt ten top als ik op de plek des onheils arriveer. De donkere wolken hebben in een paar minuten tijd een massa mensen op de been gebracht.

Het is de school. De vlammen reiken inmiddels hoger dan de daken van de tegenoverliggende huizen. In het gitzwarte roet dat draaiend omhooggestuwd wordt, vliegen stukken dakbedekking mee. In de verte drijft vredig een luchtballon.

Het terrein wordt afgezet. Waterstralen aan alle kanten. De brandweer doet zijn werk met grote trefzekerheid. Toeschouwers vertellen elkaar over het moment van hun ontdekking. Anderen klampen elkaar aan om op de toon van kenners de kansen en mogelijkheden van het gebouw  door te nemen. Zouden dat de beroepskijkers zijn? Velen hebben nog niet de moeite genomen om iets over hun zwembroek aan te trekken. Of begrepen zij dat de warme dag hier in helse hitte zou eindigen? “Ik wou dat het mijn school was”, roept een lange knul naar zijn makkers. Veel gezichten tonen een positieve spanning. Alleen de buurtgenoten staan er ontdaan bij.

Langzaam loop ik terug naar huis. Het is bijna half negen. De wijk wordt overspoeld door een zo overmatige belangstelling dat ik even in een andere wereld lijk te zijn. Fietsen, brommers, scooters en motoren krioelen in grote haast door elkaar. Op het talud zitten groepjes nieuwsgierigen die van het kijken een soort feestje hebben gemaakt. Ze hebben drank en hapjes bij zich. De weg aan de andere kant van de sloot is één grote file. Het talud aan gene zijde ziet zwart van slordig geparkeerde auto’s.

Ik krijg het er behoorlijk benauwd van en versnel mijn pas. Thuis raakt de school niet uit mijn gedachten. Mijn kinderen zijn niet de enigen voor wie de gebouwen jarenlang dagelijkse werkelijkheid waren. De onrust drijft me na twaalven het bed uit. Destijds liep ik dit stukje om schoolreisje-gangers na te zwaaien. Of ik was op weg naar een ouderavond. Nu loop ik aarzelend door de warme stille nacht.

De brandweerlieden pakken hun laatste spullen bij elkaar. Ze waren binnen een paar minuten ter plekke aan het begin van de avond. Eerst de beroeps. Daarna ook vrijwilligers. ’t Ging hard, geven ze toe. Ze staan er rustig bij en vertellen over hun werkwijze. Over het snel insluiten van de vuurzee. Over samenwerking waarbij weinig woorden nodig zijn. Over publiek dat op een afstand gehouden moet worden om goed en veilig te kunnen werken.

Ze zijn er nuchter over en springen in de bekende rode auto’s. Achteruitrijdend verlaten ze de smalle straat.

Ik kijk naar wat ’s middags gewoon de school was. Het knijpt nog steeds een beetje.